Conventioneel brugpensioen: wijzigingen inzake sociale zekerheidsbijdragen en -inhoudingen vanaf 1 april 2010
Sinds 1 april 2010 trad een reeds lang aangekondigde wijziging van werknemersinhoudingen en werkgeversbijdragen bij brugpensioen in werking. De principes hieronder zijn enkel basisprincipes. Gedetailleerde informatie kan u terugvinden in het naslagwerk Brugpensioen dat u hier kan bestellen.
1. Inhoudingen voor de bruggepensioneerde op de brugpensioenuitkering
Op de werkloosheidsuitkering en de aanvullende vergoeding die een bruggepensioneerde geniet, wordt 6,5% ingehouden ten voordele van de RSZ.De omvang van de inhouding wijzigde niet op 1/4/2010.
Terwijl de inhouding voor 1 april 2010 door twee verschillende partijen gebeurde (3,5% door de werkgever op de aanvullende vergoeding en 3% door de RVA op de werkloosheidsuitkering), gebeurt de inhouding sinds 1 april 2010 nog slechts door één enkele partij (6,5% door de werkgever1 op de aanvullende vergoeding).
2. Bijdragen voor de werkgever in geval van brugpensioen
De omvang en de wijze van berekenen van de bijdragen ten laste van de werkgever wijzigen wel sinds 1 april 2010.Voor 1 april 2010 waren de bijdragen forfaitaire bedragen. De omvang ervan hing af van de leeftijd waarop het brugpensioen aanving, van de situatie van de onderneming (afwijkingen voor ondernemingen in moeilijkheden en in herstructurering) en van de sector waartoe de onderneming behoorde (profit, non-profit). De werkgever2 betaalde de ene bijdrage aan de RSZ, de andere aan de Rijksdienst voor Pensioenen.
Sinds 1 april 2010 zijn de bijdragen een percentage van de aanvullende vergoeding. De omvang van het percentage hangt eveneens af van de leeftijd waarop het brugpensioen aanvangt, van de situatie van de onderneming en van de sector waartoe de onderneming behoort.
Sinds 1 april wordt de bijdrage nog aan één enkele instantie betaald, nl. de RSZ.
2.1. Voor lopende brugpensioenen3
De percentages die toegepast moeten worden, vindt u in de tabel hieronder.De percentages zijn degressief in functie van de leeftijd van de bruggepensioneerde. Zij evolueren dus in de loop van het brugpensioen.
| Leeftijd | Profitsector | Non-profitsector |
| Jonger dan 52 | 30% | 5% |
| 52 maar jonger dan 55 | 24% | 4% |
| 55 maar jonger dan 58 | 18% | 3% |
| 58 maar jonger dan 60 | 12% | 2% |
| Vanaf 60 | 6% | nihil |
| Minimumbedrag jonger dan 60 | 25€ | 6,20€ |
| Minimumbedrag 60+ | 18,80€ | nihil |
2.2. Voor nieuwe brugpensioenen4
De percentages die toegepast moeten worden, vindt u in de tabel hieronder.Voor de profitsector worden het toepasselijk percentage vastgesteld in functie van de leeftijd bij aanvang van het brugpensioen. Dit percentage evolueert niet meer in de loop van het brugpensioen. Voor de non-profitsector evolueert het percentage wel nog in de loop van het brugpensioen volgens de leeftijd die men heeft.
| Leeftijd | Profitsector | Non-profitsector |
| Jonger dan 52 | 50% | 5% |
| 52 maar jonger dan 55 | 40% | 4% |
| 55 maar jonger dan 58 | 30% | 3% |
| 58 maar jonger dan 60 | 20% | 2% |
| Vanaf 60 | 10% | nihil |
| Minimumbedrag jonger dan 60 | 25€ | nihil |
| Minimumbedrag 60+ | 18,80€ | nihil |
1 In de hypothese dat de werkgever (het grootste deel van) de aanvullende vergoeding betaalt.
2 Voor zover de bijdrageplicht bij de werkgever berustte.
3 Brugpensioen ingegaan voor 1.04.2010 of ingegaan vanaf 1.04.2010, maar waarvoor de opzeg voor 15.10.2009 betekend is
4 Brugpensioenen die ten vroegste vanaf 1.04.2010 ingaan EN waarvoor de opzeg na 15.10.2009 betekend werd.
| < Vorige | Volgende > |
|---|
-->
14 april 2010



